WhatsAppTerreur

Stront, maar dan ook echt strontchagrijnig stond Maaike op. Ze had gehoopt op een goede nachtrust, maar dat was haar vies tegengevallen. Oorzaak? Haar telefoon. Nog ver na grotemensenbedtijd was het kreng afgegaan en had haar uit haar slaap gehouden. Normaal gesproken zet ze het ding op stil. Maar net na een drukke werkdag had ze gisteren vergeten de trilstand uit te schakelen. Zo kon het dat ze na een uurtje slapen wakker getrild werd, omdat enkele collega’s zo nodig een nietszeggende discussie moesten starten op de WhatsAppgroep van het werk.

Al meteen nadat ze wakker werd, had ze de trilstand uitgeschakeld. Maar het mocht niet baten. Slapen zat er niet meer in en haar nieuwsgierigheid was gewekt. Ook betrapte zij zich erop dat ze om de paar minuten op haar telefoon keek om de discussie te volgen. Een discussie die al snel haar interesse verloor, waarna ze gefrustreerd de groepsapp verliet en alsnog in slaap viel.

En zo werd ze wakker. Chagrijnig na een slechte nachtrust en nog chagrijniger toen ze zag dat haar leidinggevende haar weer in de groepsapp had geplaatst. Maar wat haar nog het meeste stoorde, was dat ze het lef niet had om de app weer te verlaten. Waar was ze bang voor? Was het de discussie, die onherroepelijk zou volgen? Of wilde ze toch voldoen aan het verwachtingspatroon; alles meekrijgen? Misschien moet ik toch die discussie maar eens aangaan, dacht ze. Al is dat nu misschien niet zo handig met mijn boze, vermoeide hoofd.

Halverwege de dag was het humeur van Maaike aardig opgeklaard. Ze had haar leidinggevende, Mark, niet gezien en het werk ging prima. Helaas duurde dit niet lang.

Het was aan het einde van de middagpauze toen Mark binnen kwam. Maaike had net een broodje achter de kiezen, maar kreeg nog heel wat voor de kiezen. Hij kwam namelijk binnen op een moment dat Maaike haar Facebook aan het bekijken was. Zich van geen kwaad bewust legde ze de telefoon op tafel, zich afvragend of ze nog moest beginnen over het WhatsAppincident. Het antwoord op die vraag liet niet lang op zich wachten toen Mark er zelf over begon.

‘Hey, Maaike, goed dat ik je tref. Ik wil je nog even zeggen dat ik je weer aan de groepsapp heb toegevoegd, wat je vast wel gezien hebt. Ik vind het ook fijn als je die niet weer verlaat, voor je het weet mis je iets belangrijks.’

Ergens diep in Maaike borrelde iets wat verdacht veel leek op een brutaal, ongepast, nietsontziend antwoord. Wijselijk hield ze zich stil. Mark, die dacht dat hij zijn punt gemaakt had, draaide zich om en zag haar telefoon liggen. In plaats van weg te lopen, hield hij in en keek even naar de klok. Een diepe ademhaling, die vaak vooraf gaat aan een boze uitval, verraadde dat Mark nog niet uitgepraat was. Gespannen hield Maaike dan ook haar adem in.

‘Ik weet niet wat er met je aan de hand is, Maaike, maar facebooken op de werkvloer is niet de bedoeling. En aangezien je pauze zo goed als voorbij is mag ik hopen dat je die telefoon zo wegstopt. Volgens mij zijn de gedragsregels jou goed bekend.’

Opnieuw voelde Maaike een felle reactie opkomen. Een die ze niet meer tegen kon houden.

‘Het is wel goed met je, Mark. Als jij vindt dat ik in mijn eigen tijd op de hoogte moet blijven van alles wat met het werk te maken heeft, lijkt het mij niet meer

Whatsapp_37229

dan normaal dat ik tijdens het werk op de hoogte blijf van mijn privéaangelegenheden.’

Zonder nog iets te zeggen verliet Mark de ruimte.

Zonder nog iets te zeggen verliet Maaike de WhatsAppgroep van haar werk.

 

 

MEER COLUMNS EN VERHALEN VAN MIJN HAND ZIJN HIER TE VINDEN.
Advertenties

Gekke mevrouw toch

img_20170706_104949.jpg

Het was een schattig gezicht. Ze mocht zelf het winkelwagentje lopen terwijl ze naast een volwassen man door de winkel liep. De man zei haar dat ze een zak chips mocht uitkiezen.

Lief vond ik dat. Lief van hem, lief voor haar.

Ze mocht zelf kiezen welke chips en hij deed niet eens moeilijk toen ze een zak chips van een duurder merk uit de schappen pakte.

Ze was, zo schat ik in, nog maar 43 jaar oud en keek me aan alsof ze zich betrapt voelde.
‘Hallo,’ zei ik. ‘Mag je zelf al wat lekkers uitkiezen? Dat is lief.’
De man naast haar keek mij wat raar aan maar ik besloot hem geen aandacht te geven. Gezien de ringen aan hun vingers zullen ze getrouwd zijn geweest. Het weerhield mij er niet van om dit doodnormale gesprek voort te zetten.

‘Lekker hé, die chipjes. Mag je die ook zelf opeten? Of moet je ze thuis met iemand delen?’ Ze gaf geen antwoord maar bleef me schaapachtig aankijken.
‘Je hoeft niet bang te zijn hoor, deze meneer doet je niks. Hoe heet je? Zeg maar hallo tegen mij.’
Vanuit mijn ooghoek zag ik dat manlief de om zijn nek gedrapeerde stropdas iets losser knoopte. Moet je ook maar niet zo’n gek ding om je lichaam knopen, dacht ik.

Hij gaf zijn vrouw een klein zetje en leek haar te willen vertellen dat ze door moest lopen. Zij had het niet door, ik wel.

‘Ga je weer weg? Nou dag hoor.’
Ik zwaaide vrolijk naar de dame. Een reactie kreeg ik niet.
‘En goed je karretje duwen hoor, je bent al een grote meid,’ zei ik nog.
Ik negeerde haar man verder en liep weg. Al zag ik vanuit mijn ooghoeken dat hij het maar een rare situatie vond.

Voor mij is dit geen rare situatie maar dagelijkse kost. Regelmatig praten mevrouwen van middelbare leeftijd op zo’n manier tegen mijn zoon. En net zo regelmatig sta ik er, weliswaar zonder stropdas, als figurant bij. Ik heb voor dit verhaal slechts de rollen omgedraaid.

En wat ik tegen mijn zoon zeg als we weer naar huis gaan?

‘…Gekke mevrouw toch… ‘

Geldverspilling

Lieve lezer, mag ik u een vraag stellen? Zit u goed? Ik hoop het van harte. En wanneer u niet zit maar staat, of misschien ligt, is dat dan een vrije keus? En dan nog iets. Hoe leest u deze column? Heeft u een tablet of telefoon in de handen? Of leest u het via de laptop of PC?

Allemaal vragen die ik gewoon kan stellen omdat de kans vrij groot is dat u het goed heeft. Zelf zit ik nu achter een laptop en schrijft ik, met volle maag, een stukje tekst. Zomaar in vrijheid, zomaar omdat het kan.

Ik ben vandaag geschrokken van een nieuwsbericht dat mij ter ore kwam. Dus eigenlijk is het schrijven niet helemaal ‘zomaar’. Er zijn namelijk veel mensen die het niet zo goed hebben als ik. Mensen die voor hun leven hebben moeten vechten en alles wat ze hadden, moesten achterlaten. U kent ze vast wel, in de volksmond noemt men deze mensen vluchteling. Ik stel me zo voor dat deze mensen niet zomaar alles achterlaten. Ik kan mij niet voorstellen dat iemand zijn leven in de waagschaal stelt voor de lol. Het nieuwsbericht waar ik van schrok ging over vluchtelingen die wees zijn. Jeugdige mensen die ver van huis hun geluk zoeken en hopen op een fijne toekomst. En laat ik heel eerlijk zijn, ook ik zoek het geluk en ook ik hoop op een fijne toekomst.

Waarschijnlijk zullen de vluchtelingen tekenen voor een rustig leventje als de mijne. En juist daarom vind ik het zo logisch dat een vluchteling ook een plekje zoekt.

Maar dan dat nieuwsbericht. In Den Helder zou een klein opvangtehuis voor alleenstaande, minderjarige asielzoekers komen. Tot zover niks geks zou je zeggen. Het bevreemde me alleen dat de villa waar men dit project wilde vestigen door enkele buurtbewoners is opgekocht om te verhinderen dat deze asielzoekers een plekje zullen krijgen. In dit verhaal, dat ook op AD.nl staat beschreven, vallen mij meerdere dingen op.

Waarom gunt een mens een ander mens geen plekje? Ik kan maar één reden verzinnen. En dat is dat er overlast zou komen. Maar wat lees ik in het stuk? Er komt begeleiding op. Mooier kan het volgens mij niet.

Toch is er meer dat ik niet snap. De villa, door buurtbewoners ‘even opgekocht,’ kost maar liefst een half miljoen euro. Leest u mee? € 500.000,00! Dat is veel geld. En blijkbaar zijn er wat mensen die dit geld zo even op kunnen hoesten om het leven van een ander moeilijk te maken. Althans, zo zie ik het. Er zijn dus mensen die (gezamenlijk) een half miljoen euro ophoesten om maar geen ‘last’ te hebben van een ander. Er zijn dus mensen die liever vijfhonderdduizend euro armer zijn dan een paar, misschien wel heel leuke buren, rijker.

Dan kan ik maar een conclusie trekken: zo verspil je geld aan vluchtelingen.

Het bewuste krantenartikel

Tandarts

‘Gaat u maar liggen, meneer Verkade.’

De tandarts, een uiterst vriendelijke, stille en altijd serieus kijkende man, wijst mij een plekje. Verrassen doet hij niet, omdat hij altijd hetzelfde plekje aanwijst, de enige stoel aanwezig in de veel te grote, steriele behandelkamer van de tandendokter. De medisch specialist die ik noodgedwongen en haast uit pure traditie zo’n twee maal per jaar met een bezoekje vereer. Zo ook vandaag.

Hoewel de man zijn vak uiterst goed verstaat, is hij zelf zeer moeilijk te verstaan. Ik moet veel moeite doen om de woorden, belegd met een flink buitenlands accent die al fluisterend vanachter een mondkapje worden uitgesproken, tot mij te nemen. Het is niet de inspectie van mijn tanden en kiezen of het eventueel uitboren van mijn prachtige collectie ivoor waar ik tegenop zie wanneer ik naar de tandarts ga. Het zijn de gesprekken met de man in het wit die bij mij het zweet doen uitbreken en ervoor zorgen dat ik mij, figuurlijk gezien dan, geen houding weet.

‘Heeft u nog klachten?”
‘Nee, die heb ik niet.’
‘Dat is mooi.’

Ik open mijn mond zover ik kan als was het een staldeur op een lenteochtend waardoor alle veertig koeien in een zo kort mogelijke tijd naar buiten moeten, omdat ze eindelijk, na maanden wachten, weer eens de wei in mogen om opnieuw uit te vinden wat vers gras is; het bezorgt me spontaan kramp in de kaken.
Onder die omstandigheden wordt het gesprek voortgezet.

‘Eens kijken, deze gaatjes heb ik de vorige keer gevuld. Daar heeft u ook geen last van gehad?’
Puur en alleen op wilskracht krijg ik het woordje ‘nee’ uit mijn geopende mond, aangevuld met een licht schudden van mijn hoofd. De tandarts begrijpt wat ik bedoel.
‘Dat is fijn, want ik twijfelde of u er alsnog last van zou krijgen.’
Daar schrok ik van. Twijfelde de man aan zijn eigen kwaliteiten omtrent het vullen van gaten of waren het zijn twijfels over de gesteldheid van mijn gebit? Ik hoopte toch van harte dat hij niet aan zijn eigen kwaliteiten twijfelde. Ik hield me vast aan het feit dat mijn gaatjes dieper waren dan hij had verwacht en dat zijn twijfel daar vandaan kwam. Vragen naar de daadwerkelijke oorzaak van zijn twijfel was er niet bij. Hoe graag ik dat ook wilde. Ik heb het even geprobeerd. Mijn eerste poging om een zinnig antwoord te geven op de uitspraak van de tandarts strandde toen mijn tong in een onvermijdelijke botsing kwam met de spiegel, die in mijn mond geparkeerd was. Poging twee ging al niet veel beter, omdat de ophoping van speeksel een goede articulatie verhinderde. Omdat volgens het spreekwoord de derde keer scheepsrecht is, probeerde ik nogmaals te vragen waar de twijfel vandaan kwam. Even dacht ik dat het goed ging maar nog voor mijn woorden zich konden vormen, werd het geluid dat uit mijn keel moest komen overstemd door een van de vele lawaaierige machientjes van de tandarts; een kansloze missie.

Toen de stilte was weergekeerd in de kamer sprak de tandarts weer fluisterend vanachter zijn kapje dat alles goed was en ik pas over een half jaar terug hoefde te komen.

Voor mij een prima excuus om niet verder te vragen. Alles was weer goed en mijn probleem lag weer lekker op de lange baan. Ik stond op uit de stoel en mijn vraag liet ik mooi liggen. Ik kreeg weer een jaar respijt om uit te zoeken waarom een tandarts vragen stelt terwijl je niet kan antwoorden.

Wie het antwoord weet mag het me vertellen. (Als hij of zij ertoe in staat is)

MEER COLUMNS EN VERHALEN VAN MIJN HAND ZIJN HIER TE VINDEN.